Gezondheid 

Soja-eiwit is geen mietjes-eiwit meer

Saturday 01 January 2005
244
  • Facebook
  • Twitter
  • Pinterest

Een lichtgevende gistcel heeft de afschrikwekkende verhalen over soja- eiwit weer wat minder waarschijnlijk gemaakt. Hoewel er zeker in de sport nog legio voedingsdeskundigen zijn die niets van soja willen weten, begint het er toch op te lijken dat er niks mis is met het eiwit uit de sojaboon.

Vrouwelijke hormonen. Dat is, in twee woorden samengevat, de reden waarom zoveel sportdiëtisten huiverig zijn voor soja-eiwit. In soja zitten van nature verbindingen die chemisch gezien lijken op oestrogene hormonen. Wie veel soja eet, vrezen de diëtisten, krijgt misschien last van die stoffen. Fervente soja-eters zouden meer vetlagen opbouwen, vruchtbaarheidsstoornissen krijgen of misschien zelfs vrouwenborsten ontwikkelen. Vooral in de krachtsport en de bodybuilding, waar termen als ‘androgeen’ en ‘oestrogeen’ een veel sterker lading hebben dan daarbuiten, is de sojavrees merkbaar. Een op bodybuilders gerichte Amerikaanse website noemt soja-eiwit zelfs ‘mietjes-eiwit’. Toch gaat de opmars van soja- eiwit langzaam maar zeker door, zeker sinds eind jaren negentig vast is komen te staan dat soja de cholesterolspiegel verbetert. Daarom mag de voedingsindustrie sinds oktober 1999 van de Amerikaanse voedselautoriteit FDA sojaproducten als cholesterolverbeteraars aanprijzen. Steeds meer supplementenmerken voegen een sojalijn aan hun assortiment toe, aanvankelijk bedoeld voor veganistische sporters of sporters met een allergie. Het onderzoek naar soja-eiwit gaan ondertussen door, en steeds duidelijker wordt dat soja-eiwit voor sporters net zo interessant is als eiwitten uit melk, eieren of vlees.

 

Soja-isolaat maakt spierafbraak minder

Een paar jaar geleden ontdekten Japanse onderzoekers bijvoorbeeld dat soja-eiwit spieren beschermt tegen spierafbraak door fysieke inspanning. Eerst gaven de Japanners ratten een dieet dat voor twintig procent uit eiwitten bestond. Bij de ene groep bestond dat eiwit uit een soja-isolaat, bij de andere uit melkeiwit. Na een paar weken lieten de onderzoekers de dieren in een molentje lopen, en onderzochten pal na die trainingssessie de spieren van de dieren. De verschillen waren opmerkelijk.

De spieren van de ratten die waren gevoed met het soja-isolaat was de spierafbraak minder, bleek toen de Japanners op zoek gingen naar kapotte stukjes van het spiereiwit myosine heavy chain. De hoeveelheid stukjes kapot spiereiwit was bij de sojaratten bijna net zo hoog als bij ratten in de controlegroep die zich niet hadden ingespannen. Ter vergelijking: de afbraak van het spiereiwit was bij de ratten die melkeiwitten hadden gekregen een factor tien of meer omhoog gegaan.

Hetzelfde beeld ontstond toen de onderzoekers de concentratie van het enzym creatine-kinase bepaalden. Hoe hoger die is, des te hoger is de schade die spieren hebben opgelopen. Bij de sojaratten was de concentratie lager dan bij de ratten die melkeiwit hadden gekregen. Een dieet met soja-eiwit, concluderen de Japanners, werkt kennelijk anti-katabool. Hoe soja-eiwit dat effect veroorzaakt weten de onderzoekers niet. Misschien zijn het de fyto-oestrogenen, speculeren ze. Misschien zijn het de saponines. Of misschien is het de aminozuursamenstelling. Of misschien is het nog iets anders.

 

Het onderzoek van de Japanners verklaart in ieder geval waarom proefdieren zo goed groeien van soja, terwijl de biologische waarde niet overdreven hoog is. De biologische waarde geeft aan hoe goed de aminozuren waaruit een eiwit bestaat aansluiten bij de behoefte aan aminozuren. Moedermelkeiwit heeft bijvoorbeeld een biologische waarde van honderd, die van koemelkeiwit is 75 en die van soja is 73. Hoe lager de biologische waarde van een eiwit, des te meer ervan heb je nodig en des te meer overtollige aminozuren scheidt je lichaam uit via de ontlasting en de urine. Maar met wat er van het soja-eiwit in het lichaam blijft hangen gaat het systeem erg efficiënt om. Als je gaat kijken hoeveel gewicht ratten aanzetten per gram gegeten eiwit, dan is soja-eiwit, ondanks zijn bescheiden biologische waarde, één van de beste eiwitten. De maat voor de bijdrage van soja-eiwit aan het lichaamsgewicht heet op z’n Engels protein efficiency ratio of PER. Hoe hoger die is, des te meer gewicht zet een rat aan van een gram eiwit. De PER van soja-eiwit is 2.3, die van koemelk-eiwit 2.1.

 

Anti-nutritionele factoren

De cijfers van hierboven zijn alweer wat ouder en komen uit een leerboek Voedingsfysiologie. Het soja-eiwit waarop die cijfers zijn gebaseerd is gekookt soja-eiwit. Dat eiwit heeft minder voedingswaarde dan het eiwit dat nu voor sporters op de markt is. De opneembaarheid van soja-eiwit is niet zo goed omdat er in soja een keur van stoffen zit die de opname van voedingsstoffen door het lichaam remmen. ‘Anti- nutritionele factoren’ heten die. Veel menselijke sojaproducten, zoals tahoe en sufu, bevatten niet zo verschrikkelijk veel van die factoren omdat ze een fermentatieproces hebben ondergaan waarbij bacteriën die anti-nutritionele factoren afbreken. De hydrolysaten en isolaten van soja-eiwit die je nu vindt op de sportvoedingsmarkt bevatten nog minder van die anti-nutritionele factoren. De PER van dat soja-eiwit zou daarom wel eens hoger kunnen zijn dan de PER van het simpele eiwit uit gekookte soja. Goed nieuws voor veganistische en vegetarische krachtsporters dus. Maar het wordt nog beter, want uit recente Nederlandse studies naar de fyto-oestrogenen in soja is inmiddels gebleken dat die geen vervrouwelijkende werking kunnen hebben. Supplementenkenners zijn daar zeker in het geval van de isolaten en hydrolysaten beducht voor, omdat de bewerking de fyto-oestrogenen heeft losgepeuterd van de eiwitten waar ze normaliter aan vastzitten. Dat eiwit neutraliseert de werking van de fyto-oestrogenen. Door het bewerkingsproces zijn die stoffen waarschijnlijk actiever geworden, en zouden ze mannen die langdurig grote hoeveelheden van die bewerkte eiwitten eten wel eens kunnen opzadelen met gyno’s en een onevenredig hoog vetpercentage. Die angst is waarschijnlijk ongegrond, blijkt uit recent onderzoek.

 

 

Alfa- en betavarianten

Als je een man bent, heeft estradiol kort gezegd goede en slechte effecten. Goed is dat estradiol het cholesterol verbetert, de botten versterkt en je hersencellen stimuleert. Slecht is dat estradiol je vetlagen laat groeien, borsten laat ontstaan en de kans op sommige vormen van kanker verhoogt. Grof gezegd ontstaan de gewenste effecten als estradiol koppelt aan de beta-variant van de estradiolreceptor, terwijl de ongewenste effecten ontstaan als estradiol koppelt aan de alfa-variant van de estradiolreceptor. Toxicologen van het Wageningse onderzoeksinstituut Rikilt hebben cellen gemaakt met die verschillende soorten estradiolreceptoren, en daar vervolgens een keur van oestrogene stoffen op los gelaten. Uit die tests bleek dat de pseudo- oestrogenen in soja eigenlijk alleen koppelen aan de beta-variant van de estradiolreceptor. Als soja-eiwit dus hormonale effecten heeft, dan zullen dat niet de gevreesde vervrouwelijkende effecten zijn. De onderzoekers vonden overigens maar één plantaardig oestrogeen dat koppelt aan de ‘foute’ alfa-receptor. Dat was 8-prenylnaringenin, een stof in hop. Yep. Dezelfde hop die bierbrouwers gebruiken bij de fabricage van hun schuimende volksdrank. Vandaar wellicht de ontwikkelde epi-pectorales die je bij sommige enthousiaste bierdrinkers aantreft.

 

Ongeboren kinderen

De moraal van het verhaal is uiteraard dat krachtsporters zonder problemen hun eiwitten uit soja kunnen halen, in de vorm van supplementen en levensmiddelen, ook al is de biologische waarde dan wat minder. Er is één groep sporters die beter geen soja-eiwitten in grote hoeveelheden kan nemen: vrouwelijke krachtsporters die kinderen willen of al in verwachting zijn. Er zijn aanwijzingen dat een hoge inname van fyto-oestrogenen voor ongeboren kinderen niet goed is. Vooral jongetjes zouden erdoor in de problemen kunnen komen. Erg sterk zijn die aanwijzingen niet en er loopt op dit moment een Europees onderzoek dat duidelijkheid moet brengen.

  • Literatuur:
  • • Nutrition. 2002 Jun;18(6):490-5.
  • • JF De Wijn, WT Hekkens. Fysiologie van de voeding.
  • Bohn Stafleu Van Loghum, 1989.
  • • J Steroid Biochem Mol Biol. 2004 Jul;91(3):99-109.
Photo by pixabay
archief S&F 126
Interview: Marianne Dik
Meer dan alleen spieren