Gezondheid 

Bio-impedantie: Verfijnde meetmethode of basis voor volksverlakkerij

Tuesday 01 March 2005
314
  • Facebook
  • Twitter
  • Pinterest

Impedantie betekent: (schijnbare) weerstand. Zo kennen we akoestische impedantie, de mate van weerstand van een structuur die in trilling wordt gebracht. Belangrijk bij de overdracht van vibraties van lucht naar vloeistof, zoals gebeurt in het binnenoor. Vasculaire impedantie is de weerstand van bloedvaten tegen de voortstuwing bij systole (de samentrekking van het hart). Bio- impedantie (of exacter: Bio-elektrische impedantie) verwijst in de ruimste zin naar het meten van weerstanden in levende objecten. Mensen, dieren of organen en weefsels.

 

In de praktijk wordt onder bio-impedantie verstaan: het meten van de weerstand die het lichaam geeft aan een (zwak) elektrisch stroompje. Doordat water de stroom beter geleidt dan vet, kan hiermee het percentage vet en water in het lichaam gemeten worden. Vetvrije massa bestaat voor meer dan 60% uit water, vetmassa bevat veel kleinere hoeveelheden vocht. Ergo: hoe meer vet, hoe groter de gemeten weerstand. Een computer kan de verhouding tussen Vet (V) en Vetvrije massa (VVM) berekenen. In principe een wat directere methode dan huidplooidiktemetingen.

In de praktijk moet voor het verkrijgen van een exacte meting aan bepaalde strikte voorwaarden voldaan worden: meten op hetzelfde tijdstip van de dag onder gelijke omstandigheden. Dus niet de ene dag vóór een training meten en de andere dag erná. De huid moet droog zijn. Bij een natte huid, door transpiratie of na het douchen, kiest het stroompje de kortste weg en zou je op een vetpercentage van 0 uitkomen. Als deze regels in acht worden genomen, levert bio-impedantie betrouwbare uitkomsten op. Wellicht minder dan de kalium 40 methode, maar daar staat tegenover dat de apparatuur geen miljoenen euro’s kost.

Desondanks is een echte bio-impedantie meter prijzig. Toen ze beging jaren tachtig op de markt kwamen, moest er een slordige 30.000 gulden voor worden neergeteld. De prijs mag dan wat gezakt zijn, maar niet voldoende om zo’n apparaat op de markt te brengen voor de modale consument. Nu zijn er al enige tijd weegschalen en andere meetinstrumenten te koop die aanzienlijk minder kosten. Weegschalen met elektroden voor rond de € 100,- en kleine ‘vingerapparaatjes’, die je voor onder de € 10,- kunt aanschaffen (bij een sportzaak, niet bij een sexshop). Hoe betrouwbaar zijn deze instrumenten? Laten we eens beginnen met dat handzame metertje waar je je duimen op moet leggen. Het ding vraagt me mijn gewicht in te geven.

Uiteraard, dat is noodzakelijk om later een percentage te berekenen. Dan moet ik mijn lengte, leeftijd en sekse invoeren. Geen moeite, maar het wekt wel verwondering: zo’n meter wordt geacht je lichaamswater en vet te meten en zou die gegevens dus eigenlijk niet nodig moeten hebben. Ik volg braaf de instructies: 82 kg., 172 cm, 60 jaar, man. De spanning stijgt... Ik leg mijn droge duimen op de daarvoor bestemde plaatjes en zie: na enkele seconden komt de uitslag: ik heb 30 procent vet. Niet misselijk zeg, dertig voor een man... ’s Morgens had ik na huidplooidiktemeting nog een uitkomst van 16 procent afgelezen. Dat is elf-en-een-halve kilo vet meer! Dat bouw je niet op in vijf uur. Vooralsnog raak ik echter niet in paniek en ga stug verder met het experiment.

Wat gaat het display zeggen als ik twintig jaar van mijn leeftijd aftrek? Ai...! Nog steeds 30 %. Rechtsonder knippert een irritant icoontje van een veel te vette man. Dat ben ik dus, terwijl ik toch gisteren nog vaag de linea alba op mijn buik zag lopen. Nog maar een verjongingskuurtje: ik zet de leeftijd op 25. Het blijkt dat de in totaal 35 jaar die ik op mijn kalendarische leeftijd in mindering heb gebracht, het percentage niet verandert. Sterker nog, het is 30.1 Een meetvariabele. Deze constante uitkomsten geven vertrouwen in het digitale hebbedingetje. Een bio-impedantiemeter hoeft namelijk alleen maar de verhouding tussen vet en VVM te berekenen en elektrische stroompjes hebben geen boodschap aan je leeftijd. Verder filosoferend: als het een echte exact getrimde bio-impedantiemeter is, dan moeten ook andere parameters, zoals lengte en geslacht niets uitmaken. Goed dan een –gelukkig alleen virtuele- sexchange.

Mijn vetpercentage daalt met 0.4%. Vreemd, een vrouw die bij gelijk gewicht, lengte en leeftijd een lager vetpercentage heeft dan een man, maar goed ook dat kan een meetvariabele zijn, dus de uitslagen blijven vrij constant. Mijn vertrouwen stijgt. Stapje verder, ik ga groter groeien en verander de lengte van 172 in 192 cm. Wauw!! Ik ben vet kwijt, het display wijst 22.7% aan. De eerdere metingen kwamen rond de 30% uit. Dat is op een bruto lichaamsgewicht van 82 kg. 24.6 kilo vet! Nog geen minuut later heb ik volgens mijn metertje nog maar 18.6 kilo. Een verlies van zes kilo! Het knipperende icoontje is naar links verschoven. Ik ben virtueel afgeslankt!

Nog maar even een tijdelijke geslachtsverandering, het wordt 23%, een toelaatbare variabele. Nieuwe proef: ik drink een liter water. De weegschaal geeft 83 kilo aan, correct. Meten: 30.8%! Mijn vetmassa is volgens dit fraaie digitale stuk betaalbare high-tech apparatuur binnen luttele minuten met bijna één kilo gestegen. Vreemd, een echte bio-impedantiemeter zou een verlaagd vetpercentage te zien moeten geven, wanneer je een substantiële hoeveelheid water hebt gedronken. Je totaalgewicht neemt toe, je VVM neemt toe, je zou dus een uitslag verwachten die een lager vetpercentage aangeeft.

OK, dit was een simpel metertje, zo’n weegschaal met elektrodeplaatjes ziet er heel wat professioneler uit en zal dus wel betrouwbare uitslagen geven. Vergeet het maar. De chip van de weegschaal volgt hetzelfde traject als het duimapparaatje. Je kunt twee liter water drinken, het ding blijft beweren dat je vetpercentage is toegenomen. Dit exemplaar gaf naast een percentage vet ook een waterpercentage aan. Dat is pas informatief, want hoe meer water, hoe groter de VVM.

Deschaal denkt daar anders over en gooit er een schepje bovenop: ik besta voor 29% uit vet en voor 75% uit water. Ik ben gegroeid, ik ben geweldig, ik heb een totale lichaamsmassa van 104% (de

droge stof niet meegerekend).
De uitkomst van mijn experimenten met die low-budget bio-impedantie contrapties, ruikt heel sterk naar statistische methoden. Waarom zou je anders je leeftijd, sekse en zelfs lengte moeten ingeven? De computer berekent het percentage vet en water aan de hand van statistische gegevens en volgens de normtabellen, is iemand van 83 kg. bij een lengte van 172 cm, altijd te vet. Hetzelfde gebeurt als ik in een programma als ‘De eetmeter’ mijn lengte en gewicht ingeef.

Er verschijnt een waarschuwing: Te hoog gewicht, risico voor de gezondheid. Ja, dat programma is geijkt op brede lagen van de bevolking, niet aan die al te kleine minderheid die met gewichten traint en derhalve een naar verhouding grotere VVM heeft. De bio-impedantie apparaten in de prijsklasse waar ik het hierover heb, werken op dezelfde manier. Het goedkoopste exemplaar heeft een wat kleinere database en houdt zelfs geen rekening met het geslacht.
Zoals gezegd: een bio-impedantie meter heeft slechts rekening te houden met het gewicht en moet aan de hand daarvan het percentage vocht en vet kunnen berekenen. Alle overige parameters: lengte, leeftijd en geslacht, zijn in feite overbodig. Moet je deze gegevens wél intoetsen dan wijst dit erop dat je te maken hebt met een statistische berekening.
Mochten er fabrikanten of detaillisten van populair geprijsde bio-impedantiemeters zijn, die er anders over denken, dan neem ik graag kennis van hun argumenten.

Interview: Ludwig Irving Phelipa
Meer dan alleen spieren: het spijsverteringssysteem