Gezondheid 

Synbiotica voor bodybuilders

zaterdag 01 oktober 2005
24
  • Facebook
  • Twitter
  • Pinterest

Havermout of bruinbrood in plaats van witbrood. Geen candybars of frisdrank als tussendoortje, maar fruit, zoals bananen en appels. Veel bonen en groenten bij de warme maaltijd. Vaste lezers van Sport&Fitness weten dat zo’n eetpatroon gezond is. Maar ze weten nog niet dat je er ook makkelijker spieren mee kunt opbouwen en vetlagen kunt afbreken. 

In onze darmen leven bacteriën die helpen om ons slank te houden. Dat denkt een onderzoeker als Nathalie Delzenne van de universiteit van Leuven. Delzenne publiceerde tientallen studies over de effecten van onverteerbare suikerketens die in de darm de groei van die bacteriën bevorderen. Prébiotica, heten die suikerketens in het jargon van de voedingswetenschappers: moleculen van aan elkaar geplakte suikers die de spijsvertering niet van elkaar los kan peuteren, maar wel door bacteriën worden gebruikt. ‘Gefermenteerd’, zeggen microbiologen liever. Fruit, groenten, bonen en volle graanproducten bevatten veel van die suikerketens. Die zorgen er weer voor dat goedaardige bacteriën meer eetlustremmende eiwitjes aanmaken. Bij proefdieren tenminste. ‘We onderzoeken nu of die effecten ook bij mensen optreden’, zegt Delzenne in het vakblad Food Engineering & Ingredients. ‘We denken dat ze er zijn, maar we hebben nog geen hard bewijs.’

Het onderzoek van Delzenne en haar collega’s krijgt de laatste jaren steeds meer aandacht. De gedachte dat suikerketens, waar het lichaam zelfs niets mee kan, toch een effect hebben is nog jong. Voedingswetenschappers noemen onverteerbare koolhydraten vezels. Vijftig jaar geleden bestempelden golden vezels nog als ‘balaststoffen’. Je had ze niet nodig, was het idee, behalve dan dat ze de darmen hielpen functioneren. In de jaren zeventig van de vorige eeuw bleek echter dat vezels wel degelijk nuttig waren. Vezels in de voeding beschermden tegen een keur van welvaartsziekten. Mensen die veel vezels aten hadden vaker een gezonde cholesterolspiegel, een lager vetpercentage en kregen minder vaak diabetes of hart- en vaatziekten. Op dit moment circuleren er twee grote theorieën, die elkaar trouwens niet uitsluiten, die vertellen waarom.
Laag glycemisch De ene theorie verklaart de gezondheidsbevorderende werking van vezels uit hun matigende
invloed op de bloedsuiker- en insulinespiegel. Omdat vezels het tempo waarin het lichaam suikers uit voeding opneemt vertragen, verlagen ze de insulinespiegel. Dat is ook gunstig voor de lichaamssamenstelling. Ratten die laag-glycemisch voer krijgen en zoveel mogen eten als ze willen hebben tientallen procenten minder vetmassa en enkele procenten meer spiermassa dan ratten die een dieet krijgen dat meer op dat van de gemiddelde westerling lijkt. Ook om af te vallen werken laag-glycemische diëten uitstekend. In de meeste studies waarin onderzoekers dikke proefpersonen voor langere tijd fors laten afvallen komt grofweg veertig procent van het verloren gewicht op het conto van afgebroken vetvrije massa. Een paar maanden geleden lieten Oostenrijkse onderzoekers zien dat ze dat percentage konden terugdringen tot dertig procent als ze hun afslankers een laag-glycemisch dieet gaven.


SCFA’s De andere theorie zoekt de verklaring voor de positieve effecten van een vezelrijk voedingspatroon dus in de goedaardige bacteriën. De eerste versies van de bacterietheorie keken vooral naar kwaadaardige micro-organismen die zich in de spijsverteringskanalen ophouden, en door het immuunsysteem in de darmen continu worden bevochten. Dat kost energie. Verminder je het aantal kwaadaardige organismen weg, dan heeft het lichaam meer energie over om spierweefsel op te bouwen. Goedaardige bacteriën helpen kwaadaardige organismen onder de duim te houden, is het idee. Dat kan bijvoorbeeld door goedaardige bacteriën via de voeding in te nemen, in de vorm van yoghurt, of producten als Yakult en Mona Vifit.

Onderzoekers noemen die goedaardige bacteriën ‘probiotica’. Een andere manier is een verhoogde inname van prébiotica, die ervoor zorgen dat goedaardige bacteriën meer voedingsbodem hebben en dus harder groeien. Op dit moment ligt in het onderzoek de nadruk op synbiotica: de combinatie van goedaardige bacteriën en fermenteerbare vezels. De aandacht voor die theorie vermindert. Op dit momenten kijken onderzoekers liever naar moleculen die door goedaardige bacteriën worden afgegeven, zoals short chain fatty acids of SCFA’s. SCFA’s moeten bijvoorbeeld de effecten verklaren die Australische onderzoekers vonden in een proef waarbij menselijke proefpersonen voedingsmiddelen kregen met veel onverteerbaar zetmeel.

Bananen bevatten verhoudingsgewijs veel onverteerbaar zetmeel, net als pasta’s of amylosemaïs. De onderzoekers gaven hun proefpersonen maaltijden met verschillende hoeveelheden onverteerbaar zetmeel: de koolhydraten in de maaltijden waren voor nul, drie of vijf procent onverteerbaar. Naarmate dat percentage hoger was, verbrandden de proefpersonen na de maaltijd meer vet. Na een maaltijd waarvan drie procent van de koolhydraten onverteerbaar was, verdrievoudigde de verbranding van vetten. Na een maaltijd waarvan vijf procent van de koolhydraten onverteerbaar was, vertienvoudigde de vetverbranding. Vooral de vetreserves van het lichaam werden aangesproken. De effecten zijn het werk van SCFA’s, denken de onderzoekers. SCFA’s remmen de vorming van glucose en vetten door het lichaam en dwingen het lichaam om zijn vetreserves aan te spreken
voor zijn energiehuishouding.

Houdt het lichaam dan meer energie over om te gebruiken voor de aanmaak van nieuw spiereiwit?

Zijn goedaardige bacteriën anabool?


Anabole bacterie Het antwoord op die vraag luidt misschien ‘ja’. Dat blijkt uit het in Nederland uitgevoerde onderzoek van de moleculair bioloog Sergey Konstantinov, die een microbiologische groeibevorderaar heeft ontdekt in de ingewanden van varkens. Toen hij de bacterie in forse hoeveelheden door het voer van zieke biggen mengde, gebeurde er iets wat bijna te mooi lijkt om waar te zijn. De bacterie hielp de jonge dieren niet alleen om de ziekte onder de knie te krijgen, maar liet ze ook harder groeien. ‘De vraag is natuurlijk of dit organisme ook gezonde biggen harder laat groeien’, zegt Konstantinov. ‘En of het ook werkt bij andere dieren dan varkens. De Europese Unie en voedingsgigant Nutreco, die allebei mijn onderzoek hebben betaald, willen dat graag weten. Daarom hebben we een vervolgstudie opgezet.’ De uitkomst weten we pas over een paar jaar. Dan weten we zeker of Lactobacillus sobrius, zoals Konstantinov zijn bacterie heeft genoemd, spieropbouwende eigenschappen bezit. Tot dan zullen we het moeten doen met groenten, volle granen en fruit.  

.

• Diabetes Obes Metab. 2005 May;7(3):290-3; • FEI 3(30): 40-3 Jun 2005;
• JAMA. 2004; 292: 2482-2490;
• Lancet. 2004 Aug 28; 364(9436): 778-85;
• Nutr Metab (Lond). 2004 Oct 6; 1(1): 8; •
• Sergey Konstantinov, proefschrift Wageningen Universiteit 2005.
archief S&F130
Beter barbecuen
Vragen & Antwoorden - Scrawny to Brawny - Hoeveel herhalingen?